Communicatie en bejegening op de spoedpoli

Een ervaring op de spoedpoli beschreven met tops en tips op het gebied van communicatie en bejegening. Ter reflectie voor iedere arts die wil bouwen aan een goede relatie met een chronische patiënt.

 
Ons meisje heeft pijn, veel pijn; ze huilt en roept ‘au’. Bijzonder, voor iemand die niet kan praten, een hoge pijngrens heeft en bijna nooit huilt. Vreselijk om te zien, frustrerend om niet te weten wat er aan de hand is, machteloos om niets te kunnen doen. Dit is nu de tweede keer; een half jaar geleden ben ik na overleg ‘s nachts met haar naar de SEH gegaan. Toen leverde de direct in gang gezette onderzoeksmolen niets afwijkends op behalve kleine galsteentjes die wel zeldzaam maar niet de verklaring konden zijn voor deze pijnaanvallen van onze 10jarige Floor. De kinderarts-assistent informeerde toen nog zo mooi empathisch “hoe voelt het nu, om zo naar huis gestuurd te worden zonder diagnose?”.

 
Blijft u vooral moeder
Dinsdagochtend was er al iets, maar ons meisje is complex en er kan dus van alles aan de hand zijn. We redeneren, proberen en observeren, maar woensdagavond is de max bereikt. We grijpen naar Tramadol, een pijnstiller in de morfine-hoek die een half jaar geleden effectief is gebleken. Voor ons in de thuissituatie een nieuw, stevig middel en we hebben geen behandelplan voor de nacht. We willen dus graag even telefonisch overleggen met de dienstdoende kinderarts (i.o.). Deze verzekert me dat het heel goed is dat ik bel; hoort het verhaal aan, stelt extra vragen en besluit contact op te nemen met de achterwacht omdat het te complex is. Heel fijn. Na overleg met de achterwacht komen we samen tot de conclusie dat we ons donderdagochtend om 10.00 melden op de spoedpoli voor onderzoeken tenzij het ’s nachts verergert, dan komen we direct naar de SEH. Ook het medicatiebeleid voor de nacht stellen we samen helder op. “Maar”, zegt de dienstdoende, “u moet vooral moeder blijven, wij zijn er voor het medische stuk.” Dat is natuurlijk goed bedoeld, maar besef dat dat zo niet werkt in ons dagdagelijks leven, juist omdat wij als ouders van zo’n complex meisje het ‘klinisch oog’, haar persoonlijk medisch expert zijn.

 
Hier volgt een verslag van ons bezoek aan de spoedpoli. Het verhaal lijkt zich toe te spitsen op één persoon. Ik wil echter niet dat dit stuk persoonlijk opgevat wordt (en spreek daarom ook over ’de dokter’); het is een breder opgedane ervaring die ik met dit ene concrete voorbeeld wil voorleggen ter overdenking aan iedere arts die aan een relatie met een chronisch zieke patiënt wil bouwen.

 
Gelukkig doet de tramadol zijn werk en slapen we relatief goed. Om 10.00u de volgende ochtend worden we een spreekkamer binnen gebracht; de dokter die die dag de spoedpoli draait ‘zal zo komen’. Een half uurtje later komt deze inderdaad binnen. Vertelt dat het dossier kort is ingekeken, maar dat het te veel is om even te bevatten. Ik vertel veel, ook vanuit mijn aantekeningen van een half jaar geleden en de dokter luistert, heel rustig. De dokter vraagt vervolgens en onderzoekt, waarbij ik uitleg welke (pijn)signalen ik zie bij Floor die ondertussen onder invloed van de Tramadol nog in diepe slaap is. Dan volgt overleg met de baas. Ik vertel wat ik graag wil, namelijk zoals vorige keer met de eigen kinderarts afgesproken een herhaling van vooral de echo om te kijken of die galstenen nu wel of niet een rol spelen en of we daarop dan kunnen/moeten handelen. Deze wens zal worden meegenomen. Tot dusver eigenlijk prima, zo.

 

Wachten…
Ik wacht ondertussen in de steriele kamer waar niks te beleven valt. Enige tijd later komt de dokter terug: bloed en urine zullen direct afgenomen worden (waarbij mijn advies te katheteriseren voor de urine gelukkig ditmaal wel zo wordt overgenomen), maar de echo van de buik kan pas de volgende dag om 08.15uur. Floor is immers rustig nu, lijkt geen pijn meer te hebben en dus is het geen spoed meer. Zegt de dokter. Ik zie dat anders en wijt de ogenschijnlijke rust aan de Tramadol; ik zag hoe Floor reageerde toen de dokter aan haar buik kwam, ik zie de frons terwijl ze diep slaapt. Maar nee, het kan echt niet anders. De dokter moet echter weer weg, naar een ander kindje.

 
Ik wacht weer, op de bloedprikdienst en het afnemen van de urine. Na een tijdje komt er inderdaad iemand bloed prikken. Dan zijn we weer alleen tot de deur open gaat en iemand zegt ‘oh, de dokter is er nog niet, dan leg ik dit alvast hier neer’ en weg is ze weer. Het wachten op … duurt lang, en het is nog wel een spoedpoli. Natuurlijk, we zijn niet de enige patiënt, maar communicatie over wat, hoe en wanneer (ongeveer) zou prettig zijn; net als een kop koffie en een tijdschrift–al was het maar een oude Privé-, aangeboden door iemand die even komt informeren of het wachten aangenamer gemaakt kan worden. Het is immers inmiddels lunchtijd. Ik wil geen lastige patiënt zijn, dus blijf rustig zitten op die inmiddels hard aanvoelende stoel (gelukkig vind ik twee boterhammen in de tas, gemaakt door manlief die tevoren bedacht had dat het wel eens lang zou kunnen duren). Ik voel me ondertussen steeds meer een lijdzaam voorwerp dat ergens achter een deurtje zit. Daardoor komt bij mij alles wellicht nog scherper aan.

 
Ik zit ondertussen te denken: ik wil helemaal niet morgen pas die echo. Die echo moet nu. We zitten toch niet voor niets op de spoedpoli? De pijn is nu en ik wil weten waar die vandaan komt, ik wil ook een oorzaak en wellicht een oplossing weten. Het is toch ook zo afgesproken de vorige keer? Bovendien, Floor is onderdeel van een gezin met werkende ouders; 08.15u in het ziekenhuis is welhaast onmogelijk voor haar, zusjes die naar school moeten en ik moet nóg een dag vrij nemen. De dokter komt weer binnen. Ik leg uit dat ik geen problemen wil maken, maar dat ik wel graag zie dat Floor nu die echo krijgt. Ik leg uit dat Floor zusjes heeft en vader en ik vrijdag werken, dat 08.15u echt niet handig is; de reactie is kortweg “oh”. Ik leg nog eens uit dat Floor wel pijn heeft. De reactie “maar u mag nog gewoon Tramadol geven” en “we weten nu niet hoe veel pijn Floor heeft”.

 
Ik wíl een meisje van 10 niet Tramadol ter symptoombestrijding geven. En ik weet wél dat Floor pijn heeft. De dokter wil nog wel eens proberen de röntgen te bellen. Ik suggereer dat de baas dat moet doen, dat dat uit kan maken. Dat zal worden overlegd, maar de doktersassistente zal worden gevraagd mij de uitkomst door te geven, want “er is nog een andere patiënt en anders blijf ik maar heen en weer lopen”. Ik wacht weer geduldig, ik loop wel heen en weer in het witte kamertje. Tot de doktersassistente enthousiast binnen komt om te vertellen dat we naar de röntgen mogen. Op de röntgen wordt uitgebreid een echo gemaakt en toevallig loopt de radioloog binnen die gelijk mee kan kijken. Officieus krijg ik de uitslag: niets afwijkends, maar nog altijd die galsteentjes.

 
Ik ga terug naar de kinderpoli om met de doktersassistente te bespreken hoe ik de uitslag van de verschillende onderzoeken zal krijgen en wat het vervolg zal zijn. Dit stukje afronding van een consult op de spoedpoli is immers handig, maar was zojuist door de dokter niet besproken. Het is net 15.00u geweest als Floor en ik naar buiten lopen. Vijf uren op de spoedpoli, vooral wachtend op een houten stoel…

 
“we”
Nogmaals, ik wil niet de veeleisende patiënt uithangen, ik wil absoluut niet aansturen op een onwenselijke ‘patiënt vraagt, dokter draait’-cultuur, een ziekenhuis hoeft geen hotel te worden. Ik ben niet eens een echte fan van de ‘patiënt centraal’- gedachte, dialooggestuurde zorg is veel beter. Wat ik met dit stukje wel heel duidelijk wil maken is dat er in deze situatie helemaal geen sprake (meer) is van ‘we’. Dat een opmerking als ‘we weten niet hoe veel pijn Floor heeft’ erg verkeerd valt. Deze dokter ziet Floor voor het eerst, de baas met wie overlegd is, heeft Floor ooit eventjes gezien voor een heel ander onderwerp. Ik ben dus degene die het meest weet van Floor. Ik vind dat de afspraak die met de eigen kinderarts is gemaakt geldt. Er wordt wel gezegd “moeders weten het het best”, luister daar dan ook écht naar, zoals in het begin wel gebeurde (!). Zeker als het ‘medische moeders’ zijn, want die scheiding moeder-medisch is er in gezinnen van een chronische patiënt vaak niet. Luister naar wensen en verwachtingen, bepaal met elkaar hoe en wat. En handel naar de afspraken die in het dossier staan. En als ze daar niet helder staan, dan is dat een leermoment ten aanzien van het noteren van gemaakte afspraken. Wachten is meestal een noodzakelijk kwaad, dat draaglijker wordt door te communiceren over hoe, wat en wanneer. Tot slot: geef een consult geen open einde, maar maak een vervolgafspraak, laat je patiënt niet zo maar gaan. Dialooggestuurde zorg, zo worden we samen beter.

 

Ps. Toch nog even iets anders: Floor is niet het enige kind in een rolstoel. Een verrijdbare tillift op een kinderpoli is geen overbodige luxe.

 

Meld je aan voor mijn nieuwsbrief en blijf op de hoogte

 

én

 

Deel deze pagina via Social Media